Thursday, April 03, 2008
Militairen, boeren en burgers in een Vestingstad.
Sunday, September 18, 2005
Militairen, boeren en burgers in een Vestingstad
________________________________________________________
Het alledaagse leven binnen Naarden 1860-1940
Over het alledaagse samenleven tussen militairen en burgers in Naarden is nog nooit geschreven.Geert Mak zou over dit onderwerp een heel boek kunnen schrijven.In dit artikel geef ik een beperkte kijk op deze kleine samenleving.De inhoud berust alleen op een aantal feitelijkheden,overleveringen uit een betrekkelijk kleine groep en persoonlijke indrukken.Het feitenmateriaal komt vooral uit de lokale pers. Deze kranten hebben regelmatig aandacht besteed aan het wel en wee van de militairen. Zelfs de bevordering of overplaatsing van iedere beroepsmilitair kreeg aandacht.
Voor dit stukje heb ik gekozen voor de periode mei 1860 tot en met mei 1940. Mijn familie vestigde zich in de vesting omstreeks de eerste datum en moest de vesting als vluchteling verlaten op 14 mei 1940.
Depôt van discipline
Tot midden negentiende eeuw was er in Naarden alleen de Weeshuiskazerne. Het aantal militairen was in die periode gering. Mei 1861 werd hier het Depot van Discipline gevestigd. Deze strafinrichting voor militairen werd streng bewaakt. De gestraften hadden geen kontact met de burgerbevolking. In het boek ‘De Weeshuiskazerne van Naarden’ staat: ’Over het leven van de gestrafte soldaten weten we vrijwel niets‘. Zij hadden corveedienst in de kazerne en verrichtten schanswerk aan de vesting. Voor de rest zwijgen de bronnen. Wel doen er nog steeds verhalen de ronde over strenge tucht. Over ranselen op een van de bolwerken. Generaal-Majoor A.N.J. Fabius (1855-1921) schreef in het begin van de 20e eeuw, dat elke gestrafte na aankomst 25 of 59 rietslagen kreeg toegediend. De vader van A.N.J. Fabius was burgemeester van 1863-1887, in de zelfde periode dat het Depô t van Discipline bestond. In zijn jeugd moet Fabius junior weet gehad hebben van de afstraffingen. Naarders hebben dit van ouder op ouder mondeling overgeleverd.
Er is het bekende verhaal over ‘de beul’ die in het laatste kwart van de negentiende eeuw bij de 'Dikke boom' woonde. Genoemde beul was een onderofficier van het garnizoen Naarden. Deze beroeps militair had onder andere de taak om 'zich misdragende gestraften' eens in de week te straffen. De straf werd uitgevoerd op bastion Oud Molen buiten het zicht van de burgerij. De gestraften kregen met de karwats een aantal slagen. De afstraffing vond, volgens overlevering, op zaterdag plaats. Sommige Naarders verzamelden zich op de Oude Haven om de kreten van pijn te horen. De afranseling zou 'in de Lage Flank' hebben plaats gevonden. Bij de beul zou het gaan om de Adjudant Onderofficier Frederik Sander Jansen, Ridder in de Militaire Willemsorde. Hij was geboren in 1830 en woonde ca.1862 op de hoek van de Raadhuisstraat/Wuyvert.Later verhuisde hij naar de Kloosterstraat en werd ‘wachter bij de militaire gebouwen‘.
De militaire stafinrichting zou Naarden in 1881 verlaten hebben. In de Gooi en Eemlander van 1894 stond evenwel het volgende bericht: ‘Naarden, 23 juni. De milicien K. heeft zich door zijn aanhoudend uitstekend gedrag in ’t Depot van Discipline zoodanig onderscheiden dat hem vergund is weder naar zijn regiment terug te keeren‘.
De Vesting versterkt en getest
Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 groeide ook in Nederland de angst voor het oosterbuurland. In verband hiermee kwam een nieuwe Vestingwet tot stand. De Vesting Naarden werd ingrijpend versterkt. Er kwamen ‘bomvrije’ kazernes, zoals de Promers, Oranje en Oud Molen. De laatst genoemde kazerne kreeg een telegraaf en zelfs een telefoonverbinding. Telefoon was toen een noviteit, want het eerste Amsterdamse telefoonnet was in 1881 tot stand gekomen. Een deel van de ’bouwwerkzaamheden’ werd uitgevoerd door lokale aannemers, waaronder een lid van de bekende Naardense familie Vrakking. Naast de bouwvakkers waren er ook veel polderjongens nodig. Met mankracht, schop en kruiwagen werd gezwoegd om de wallen te verhogen. Menige Naarder stak een handje uit de mouwen, zoals de boerenzoon Jan de Gooijer (mijn opa). Hij was echter te licht gebouwd voor dit zware werk. Bij een kleermaker liet hij een leren korset maken om zijn rug te sparen. Op Oud Molen stond de boerderij van zijn oudste broer. Die moest plaatsmaken voor het ’bomvrije’ slagerijgebouw. De plaatselijke middenstand deed goede zaken, voor de kroegen was dit een gouden tijd.
Oefenmanoeuvres
Nadat de renovatie van de Vesting was voltooid, werd de militaire sterkte getest. Daartoe werd er een groot opgezette militaire oefening gehouden. De manoeuvres begonnen op dinsdag 1 september 1885 en duurden met een onderbreking op zondag tot en met donderdag 10 september. Dinsdagmiddag om drie uur reden twee 'vijandige' militairen te paard door de linies van de verdedigers.Eén ruiter was een parlementair met een witte vlag, de ander was een trompetter. Ze reden naar de Vesting en eisten de overgave, die geweigerd werd door de vestingcommandant. De eerste dag richtten de aanvallen zich op de voorwerken, de dag daarna op de Vesting. Natuurlijk trokken deze manoeuvres heel wat toeschouwers. Niet alleen Naarders vergaapten zich, ook van elders kwam men kijken.
Zelfs de toren werd door nieuwsgierigen beklommen. Vaak ging men onvoldaan
naar huis, omdat men niet altijd wist waar 'slag geleverd werd'.
Vanaf woensdagmorgen 2 september schoot men vanaf de vestingwallen.Ondanks het schieten met los kruit waren de schoten zo hard, dat geadviseerd werd de ramen open te zetten. Ook de burgers kregen geen rust, dag en nacht klonk het gedonder. Natuurlijk hadden de soldaten het moeilijker. Het eten was vaak slecht, al waren de rantsoenen wel verhoogd. Op rustige nachten stond een kwart van de verdedigers op wacht en een kwart lag gekleed op het stro. De andere helft mocht in onderkleding op het losse stro slapen. De aanvallers waren nog slechter af, zij bivakkeerden in de open lucht en deden schijnaanvallen. Bovendien moesten zij schansen opwerpen en loopgraven aanleggen. Dit zware werk gebeurde tijdens slagregens. Zieken waren er gelukkig niet veel. De hospitaalsoldaten waren echter wel druk in de weer met het oefenen in het leggen van verband en het wegdragen van de namaak 'gewonden'.
Ondertussen werd er elke avond druk geëxperimenteerd met het elektrische
'verlichtingstoestel'. Een voorloper van de schijnwerper. Vele nieuwsgierige
burgers kwamen naar dit wonder van de techniek kijken. Voor praktisch iedereen
was dit het eerste contact met elektrisch licht. Bussum had tot in de het
begin van de twintigste eeuw gasverlichting en Naarden kreeg als eerste
Gooise gemeente electrische verlichting in 1899.
Na afloop van de manoeuvres was er een grote parade met muziek. Deze vond plaats op het gedeelte van de Bussummerheide waar anders wedrennen werden gehouden. Dank zij het mooie weer trok dit 'grootsche' schouwspel veel bekijks. De 'oorlogscorrespondent' eindigde zijn verslag met:’Ieder keerde voldaan huiswaarts, de talrijke toeschouwers te voet en in rijtuigen even goed als de militairen, die blijde waren naar huis terug te mogen keeren, te eer daar het weder in de laatste dagen hoogst ongunstig werd‘.
Er volgden regelmatig nieuwe oefeningen. Zaterdag 8 september 1894 stond er een aankondiging in de Gooi en Eemlander over een militaire manoeuvre. Een gedeelte van de vestingwallen was tijdelijk toegankelijk voor het publiek tijdens de oefeningen van de 'vestingoorlog'. Uit verschillende krantenberichten bleek, dat dergelijke oefeningen als een soort volksvermaak golden. Sommige inwoners protesteerden in de krant, omdat ze de oefeningen niet konden zien. Overigens deed zich daarbij wel eens een ongeluk voor bij de militairen, mogelijk wilde men daarom het publiek op een veilige afstand houden. Het gevaar was niet denkbeeldig, zoals bleek in juli 1897. Bij het laten springen van een watermijn spoot het water uit de vestinggracht 30 meter hoog. Een mineur raakte daarbij gewond. Mooier dan het jaarlijkse vuurwerk waren de kolossale zoeklichten die op een ravelijnen waren geplaatst. De vestingbewoners mochten, wederom tot hun spijt, niet vanaf de wallen toekijken.
Huisvesting van de militairen
Legering in de kazernes
In de kazernes verbleven de vrijgezelle beroepsonderofficieren en honderden dienstplichtigen. Tot het einde van de negentiende eeuw kwamen de soldaten uit kringen van minvermogenden. Wie kon betalen ging niet in dienst, maar kocht een remplaçant. De Weeshuiskazerne diende voor legering van de infanterie. De bomvrije kazernes werden bevolkt door de vestingartillerie, een legeronderdeel dat na 1918 werd opgeheven. De ruimten daar waren zeer ongezond en het drinkwater deugde niet , wat het kwam uit loden buizen. ‘s Winters was het onder de wallen een ‘kouwe bedoening’. Pas na het einde van de middagdienst, omstreeks half vijf, stak de kamerwacht de kachels aan. Er werd zuinig gestookt, per dag slechts een aanmaakturf en een kit cokes. Om een uur of twaalf was de kachel uit. Men werd wakker door het voortdurend druppelen van regenwater, dat via een buizenstelsel naar de waterkelder liep. De ventilatie per slaapzaal voor 20 personen was slecht. Bij het ontwaken dreven de muren van de condens, dat pas twee uur later was opgedroogd. Het duurde tot na 1945 voordat de vochtige verblijven werden afgekeurd voor legering.
Onderofficierswoningen
In het laatste kwart van de negentiende eeuw waren de vestingwerken gemoderniseerd.Tevens waren er ter plaatse van bastions een aantal bomvrije kazernes gebouwd, zoals Oud Molen, Promers en Oranje. Het aantal aldaar gelegerde dienstplichtige militairen was fors toegenomen. Het beroepskader werd ook uitgebreid. Binnen de vesting waren er onvoldoende kwalitatief goede huizen om deze beroepsmilitairen en hun gezinnen te huisvesten. De vestingbewoners hadden geen of weinig belang bij nieuwbouw. Het was zelfs lonend om een krot af te breken en vervolgens de braakliggende grond te gebruiken als groentetuin. Het Ministerie van Oorlog zocht voor haar personeel behoorlijke woningen. Omdat er onvoldoende aanbod was sloot het ministerie huurcontracten af . Bij nieuwbouw garandeerde men het 25 jaar lang verhuren aan beroepsmilitairen. Niet duidelijk is welke bouwheren op dit aanbod ingingen. Wel deden dit de aannemers M.P. van Wettum en Van Asperen. De eerste zogenoemde onderofficierswoningen kwamen in de Pijlstraat. De Gooi en Eemlander van 28 juni 1895 kwam met belangrijk nieuws. ‘Donderdag verschrikten velen in den omtrek der Pijlsteeg door een oorverdoovend geraas; men meende, dat weder een der bouwvallige woningen ingestort was. Bij onderzoek bleek echter, dat de aannemer W(ettum). een aldaar staand half afgebroken perceel, na het nemen van de noodige voorzorgen, in elkander had doen trekken, om ongelukken bij slooping te voorkomen. Thans zullen daarvoor in de plaats 5 nieuwe woningen gezet worden, waardoor gedeeltelijk in de behoefte aan goede woningen zal worden voldaan‘. Uiteindelijk kwamen er vier woningen te staan op de plek waar voorheen een boerderij stond.
Het aannemersbedrijf ‘Van Wettum’ bleef ook daarna bouwen voor het ministerie. Na de koop, van de boerderij Zwanenburg, bouwde dit bedrijf op een gedeelte van het erf zes woningen. Zij kwamen aan de St. Annastraat en waren gelijksoortig aan de eerste vier. Vervolgens kwamen er woningen voor beroepsmilitairen in de St. Vitusstraat. De eerste steen werd gelegd door de acht-jarige Maria van Asperen, dochter van de aannemer. Het laatst gebouwd werden de beneden- en bovenwoningen aan het einde van de Bussummerstraat. Op de adres- en beroepenlijst uit 1915 staan 38 onderofficieren.De bovengenoemde huizen waren nog steeds door deze militairen en hun gezinnen bewoond. Het aantal van 38 lijkt gering. De vrijgezelle onderofficieren woonden echter op kamers in de kazerne.
Officieren contra Naarden
De Naardense gemeenteraad stuurde regelmatig protestbrieven naar het ministerie. Tot groot verdriet van de gemeenteraad had de legerleiding toestemming gegeven aan de officieren om zich buiten hun garnizoensplaats te vestigen. Een deel van het officierkorps vestigde zich in Bussum. Naarden had wel de lasten, maar niet de alle lusten van het garnizoen. Men liep nu een bedrag aan gemeentebelasting mis, in die periode een belangrijke inkomstenbron. Volgens de adres- en beroepengids van 1915, bedroeg het aantal officieren binnen de vestingwallen 7 en in de kleine Naardense buitenwijk 5. In Bussum woonden minstens 21 officieren in actieve dienst. Zelfs onze Naardense Generaal-Majoor A.N.J. Fabius had zich, na zijn pensioen, teruggetrokken in ons buurdorp.
De officieren bemoeiden zich ook nog eens met het besluit van de gemeenteraad om in 1892 de Amsterdamse tijd te vervangen door de Greenwich Time. Net als de forensengemeente Bussum koos men voor de zogenaamde ’spoortijd’ die de Nederlandse Spoorwegmaatschappijen hadden ingevoerd. Een onbegrijpelijke houding van het garnizoen. De militaire telegraaflijn had nota bene ook de Greenwich Time aangenomen. Misschien was het leger bang bij een inval van de oosterburen zo’n 20 minuten te laat te worden gealarmeerd. Voor de dienstplichtige verlofgangers was het vertrek naar huis het belangrijkste moment, die waren wel op de hoogte van de ’spoortijd’.
Contacten tussen burgers en militairen
Beroepsmatige en innige contacten
Verschillende Naarders waren in dienst of stonden ten dienste van het garnizoen. In 1915 waren dat:
Een militaire apotheker; een hospitaalbediende; een hospitaal administrateur; een geweermaker; een Opzichter der Genie; een magazijnbediende van de Garnizoensbakkerij; een fortwachter van de Lunetten; drie militaire schoenmakers; twee militaire kleermakers en twee maal een ‘vader’ van een militair tehuis. Dan waren er nog 3 Brugwachters van de Rijksbruggen.
Bovengenoemde personen waren zogenaamde hoofdbewoners. Inwonende werkers werden niet vermeld. Daarom bleef ook een beroepsgroep ongenoemd, n.l. de keukenhelpsters, die de aardappels schilden en de groenten schoonmaakten. De bekendste onder hen was Vrouw Behm, een struise vrouw in Zeeuwse klederdracht.
Het garnizoen sloot ook contracten af met een aantal Naarders. Dat gebeurde met plaatselijke leveranciers, ondermeer de levering van melk en vlees door veehouders. De militaire betaalmeester kwam op de boerderij afrekenen en streek dan een fooi op. Er waren contracten op verschillende terreinen. Plaatselijke aannemers onderhielden de militaire gebouwen. Zelfs het leeghalen van de kazernebeerputten werd aanbesteed.
Naast een aantal honkvaste Naardense families, vond er ook veel doorstroming plaats door
de komst en het van de beroepsmilitairen en hun gezinnen. Er waren ook veel knappe Naardense meisjes en daar kwamen veel dienstplichtigen op af. Het uniform lokte nog in die tijd en zodoende trouwde een aantal Naardense schonen met jongens van ‘elders‘. Ook waren er huwelijken tussen de zonen en dochters van beroepsmilitairen en Naardense burgers en burgeressen . Over de Sluis, bij het Arsenaal, woonde Adjudant Marquenie. Twee van zijn zoons waren ook beroepsmilitair. Een derde zoon trouwde in 1914 met de oudste dochter van de Naardense veehouder Jan de Gooijer. Bij die gelegenheid werd een foto gemaakt van beide families en alle bruiloftgasten. Adjudant Marquenie was gekleed in een soort gala-uniform, terwijl zijn zoons een buitenmodel uniform droegen. Tijdens verjaardagen ontmoetten deze beroepsmilitairen hun agrarische zwagers. De militairen spraken dan over de bereden artillerie in Leiden, de zwagers letterlijk over koetjes en kalfjes.
De jaarlijkse loting voor de militaire dienstplicht zorgde voor veel drukte. Op het stadhuis vond de loting plaats voor Naarders en sommige Gooise dorpelingen. Na afloop staken de lotelingen hun lot op hun pet of hoed en doken daarna een kroeg in.
Hulpverlening bij brand
Af en toe brak er brand uit binnen de vesting. Daarbij waren enkele boerderijbranden, die een gevaarlijke situatie vormden voor de omliggende huizen. De vrijwillige brandweer rukte dan uit en was snel ter plaatse. Het is niet duidelijk welke blusmiddelen ter beschikking stonden van het leger. Bij dergelijke calamiteiten is nergens sprake van hulp van legerautoriteiten. Wel was er steeds spontane en vrijwillige hulp door dienstplichtige militairen. De enige beloning bestond meestal uit de vergoeding van de verbrande uniformstukken. Er zijn verschillende berichten over deze hulp. Op 19 December 1898 ontstond er in het logement De reizende Man aan het einde van de Oosteindestraat een begin van brand. Door flink optreden van enige militairen werd de brand spoedig geblust. Op 4 Juli 1904 was er een grote brand waarbij een boerderij in de Gansoordstraat en een winkel in de Raadhuisstraat volledig uitbrandden. Ook hier werd assistentie verleend door militairen. De gemeenteraad schonk aan de militairen een beloning van vijftig gulden. De garnizoenscommandant stuurde bovendien een rekening voor de vernielde uniformen en schoeisel. Op 16 oktober 1929 ging in de Beijert een foeragemagazijn in de vlammen op. De vaststaande boerderij liep daarbij zeer veel brand- en waterschade op. Ook hier boden militairen direct hulp aan. Na de brand werd de plek bezocht door de plaatselijke autoriteiten. Burgemeester M. van Wettum kwam een kijkje nemen. in gezelschap van de garnizoenscommandant Majoor Von Feytag Drabbe.
Onhygiënische toestanden
Binnen de dichtbebouwde kom van de vesting lagen twintig boerderijen. Zeer praktisch ten behoeve van de voedselvoorziening in geval van een belegering. Bij militair transport werden vaak boeren met paarden en wagens ingeschakeld. Er lagen echter soms open mesthopen langs de straat. Op 7 juni 1895 schreef de krant een uitgebreid artikel over boeren in de Vesting, o.a. over het feit dat Naarden een landbouwende gemeente was en bij strengere regels meer dan 60 a 70 vaalten moesten worden geruimd. Allereerst moest de mestvaalt van boer Van der Vuurst afgedekt worden. Deze lag open en bloot aan het kerkpaadje en was zichtbaar vanaf de ingang van de kerktoren. Regelmatig brak er een veeziekte uit, zoals mond en klauwzeer. Op 30 juni 1894 was het weer raak bij de veehouder Van Aken. De boerderij werd streng bewaakt.
Bij de burgerij was de toestand niet veel beter. Achter de meeste huizen stond op het erf een plee met lozing op een beerput. Een dergelijke put bestond uit los gestapelde stenen, de vloeibare inhoud verdween in de zandgrond en vervolgens in het grondwater. (deze toestand duurde tot 1980). Het gevolg was vervuild pompwater. Niet alleen de particuliere pompen waren besmet, ook de openbare straatpompen. Een andere watervoorziening bestond niet. De gemiddelde vestingbewoner stelde geen hoge eisen aan de woonomgeving . Hygiëne en wooncomfort waren voor de meeste een luxe.
Natuurlijk braken er vaak ziekten uit. Voor de overvolle kazernes kon dit rampzalig zijn. Van overheidswege werd dan streng opgetreden. De krant berichtte verschillende malen over uitbraak van pokken binnen de vesting. Op 4 augustus 1894 stond erin de krant: ‘De winkelwaren van Van Doesburg, den pokkenlijder alhier, thans genezen, zijn onteigend en verbrand‘. De kleding van de winkelier was al eerder in rook opgegaan.
Militairen als ordehandhavers
Het was een vreemde zaak dat, in de negentiende eeuw, de militaire autoriteiten de gemeente Naarden lieten opdraaien voor de bewaking van de vestingpoorten door burgerpoortwachters. Vanaf 1851 werd de poortbewaking geheel afgeschaft. Iedereen kon vanaf die tijd ongehinderd de meest noord-oostelijke vesting van de Waterlinie binnenwandelen. Het leger was niet opgewassen tegen een buitenlandse vijand, maar werd vooral ingezet als binnenlandse ordebewakers, zoals uit onderstaande gegevens blijkt.
Vanaf 1851 hield de Hollandsche Maatschappij van Landbouw wedstrijden in ploegen en maaien. De notabelen wilden teleurgestelde en heetgebakerde Gooise deelnemers van het lijf houden. Natuurlijk waren de dienstplichtigen uit de Weeshuiskazerne weer de klos: ’Door de bemoeiingen van den heer Burgemeester van Naarden, hebben Heeren Officieren van het garnizoen de beleefdheid gehad, de wedstrijden een detachement infanterie ter beschikking te stellen van Heeren de directie, waardoor dit feestelijk begin van de oogst is opgeluisterd en eene goede orde bewaard’.
September 1895 zijn een aantal militairen in de buurt van de Kippenbrug getuige van een opstootje. Een dronken echtpaar mishandelde een bij hen inwonend tienjarig kind. Toesnellende Naarders wilden het echtpaar te lijf gaan. Het dronken stel werd door militairen met de blanke sabel ontzet en naar hun woning in de Bussummerstraat gebracht. Het kind werd door een ’villabewoner’ opgevangen.
Bij de onderdrukking van de Hilversumse Kermisoproer van 1899 waren ook militairen uit Naarden betrokken. De veldslag met sabelhouwen en geweerschoten kostte aan een Hilversummer het leven en negen raakten gewond.In Blaricum bestond vanaf 1900 ‘De Kolonie van de Internationale Broederschap‘. Bij de grote spoorwegstaking van 1903 waren de ‘kolonisten’ solidair met de stakers. Ze wilden ook de Gooise Stoomtram stilleggen. De armelijke bevolking van Huizen en Blaricum voelde zich in haar karig bestaan bedreigd. De volkswoede richtte zich tegen de ’kolonisten’. Uiteindelijk moesten militairen uit Naarden de anti-militaristen beschermen tegen de autochtone dorpsbewoners. Daarna verzocht de Blaricumse burgemeester Hosang de militairen in te zetten tegen de Erfgooiers. De Gooise burgemeesters hadden al jaren een conflict met de lokale veehouders. Tijdens een geweldloze actie van enkele erfgooiers werd é é n van hen door een soldaat doodgeschoten. De gedode jongeman wilde alleen een opening graven in het koedijkje om koeien op de Blaricummer Meent te brengen.
Garnizoen neemt voortouw
Binnen het ingeslapen vestingstadje, met zeer veel arme bewoners, was de tijd stil blijven staan. Het garnizoen gaf rond de eeuwwisseling de stoot tot betere openbare voorzieningen. Het militaire zwembad was de eerste aanwinst. Ook burgers mochten hiervan gebruik maken. Tot 1940 konden burgers bovendien gebruik maken van het militaire douchegebouw bij de Weeshuiskazerne. Het leger onderzocht de waterkwaliteit van de stadspompen en in 1898 volgde een ongunstig rapport. Het water was niet geschikt voor menselijke consumptie en daarom leidde dit in 1904 tot de aanleg van de waterleiding. De elektriciteitsvoorziening was reeds in 1899 tot stand gekomen; vooral de verlichting in de kazernes profiteerde hiervan. Het leidingnetwerk kwam de vestingkom binnen via militaire terrein, de omwalling en grachten. Onduidelijk is of het garnizoen bijdroeg aan de aanlegkosten.
Ontspanning en sport
Op het terrein van ontspanning en sport was de bijdrage van het garnizoen belangrijk. In Naarden werd rond de eeuwwisseling door enkele officieren een afdeling opgericht van de landelijke vereniging ‘Volksweerbaarheid’. Burgers konden lid worden van de schietvereniging Huibert van Eijcken. Geschoten werd achter de Weeshuiskazerne. Een eventuele afgedwaalde kogel ging dan over de Zoute Gracht richting Zuiderzee. Om de ploeg fit te houden, werden er vooraf turnoefeningen gehouden. Vier avonden per week gebeurde dat onder leiding van de plaatselijke onderofficieren. Ook maakte men gebruik van de turntoestellen van de kazerne. Uit de schietvereniging ontstond in 1900 de Gymnastiekvereniging Keizer Otto. De eerste gymnastiekleider werd, hoe kon het anders, een beroepssergeant. Deze sergeant De Bruin organiseerde reeds in 1901 een uitvoering in het aan de Kloosterstraat gelegen. Hof van Holland. Het publiek bestond uit burgers en militairen. De uitvoering was een daverend succes en het afsluitende bal eveneens. In 1908 verkeerde Keizer Otto in nood, maar werd gered door de nieuwe leiding onder sergeant-majoor H. van Coevorden. De plaatselijke fanfare, ‘Door Oefening Beter’, werd in 1904 opgericht en tot bloei gebracht door dirigent H.A.A.A.V. Rijgersberg. Deze militair was onderkapelmeester van het 7e regiment infanterie. Ook militairen bliezen hun partijtje mee met D.O.B.
Het eerder genoemde Hof van Holland was niet alleen belangrijk voor bruiloften en partijen. In 1903 belegde onderwijzer H.A. Arentsen daar een vergadering. Zijn bedoeling was het oprichten van een zang- en toneelvereniging ten behoeve van de dienstplichtige militairen. Arentsen was begaan met het wel en wee van deze jongens, die in Naarden alleen ontspanning konden vinden in een tiental drankgelegenheden. Burgemeester Wesseling en de garnizoenscommandant verdachten de onderwijzer ervan een socialistische vereniging op te willen richten. Ze stuurden de rijksveldwachter J. Ederveen naar het Hof van Holland om eens polshoogte te nemen. Uiteindelijk kon zowel Wesseling als de militaire commandant geen vergaderingverbod opleggen. Uit dit prille begin ontstond de toneelvereniging Willem de Zwijger.
Militair terrein
Alle bastions en tussenliggende wallen waren militair terrein. Op de oude kadasterkaarten van Naarden is dat gebied weggelaten. Langs de Oost- en Westwalstraat stonden hoge hekken, die aan de bovenzijde voorzien waren van prikkeldraad. Deze binnenwallen werden in het voorjaar verpacht aan de vestingboeren. De maaiers en hooiers hadden toestemming nodig van de garnizoenscommandant. Toegang was alleen mogelijk met een speciaal pasje. Ook de buitendijkse enveloppe mocht alleen gemaaid en gehooid na toestemming van het militaire gezag. Het hooi werd aldaar op een dekschuit geladen en via de Zoute Gracht naar de Oude Haven vervoerd. Eerst moest echter bij de Weeshuiskazerne een sleutel worden opgehaald. De Zeebrug was namelijk afgesloten door een hek. Overigens was het soms slecht gesteld met de toezicht op de Zeebrug. In de winter van 1915/1916 vergat het militaire apparaat de schotbalken in de zeebrug te plaatsen. Bij de springvloed in de Zuiderzee overstroomde het zeewater niet alleen het buitendijks gebied, maar stroomde ook onbelemmerd via de Zeebrug de bebouwde kom van de vesting binnen. De burgers belegden na dit incident een protestbijeenkomst in het nabijgelegen Hof van Holland.
Op vier bastions waren kazernes. Bastion Turfpoort en Nieuw Molen waren echter geschikt als uitgelezen speelterrein voor de oudere kinderen. Het was wel verboden terrein, menigeen is achterna gezeten door de gemeentepolitie en de marechaussee. In noodgevallen mocht gebruik gemaakt worden van militair terrein. De kleermaker Nees Aartsen leed aan TBC. Er werd toestemming gegeven om in de Lage Flank van Bastion Oranje een zogenaamd TBC-lighuisje te bouwen. Dit kwam te staan op een metalen ring; het huisje kon steeds in de richting van de zon worden gedraaid.
Naarden en de mobilisatie 1914 - 1918
Nederland kondigde de mobilisatie van het leger aan. Nederlandse dienstplichtigen in binnen- en buitenland moesten zich melden. De 32 jarige Naarder Willem de Gooijer voldeed keurig aan het bevel en keerde vanuit het buitenland terug in zijn geboorteplaats. In zijn dagboek beschreef hij de toestand zoals hij aantrof in zijn dierbaar stadje op 7 augustus. Onderweg had hij de eerste gevolgen van de mobilisatie reeds gezien. Alle mooie bomen langs de Amersfoortse Straatweg waren omgehakt, alleen de ondereindjes stonden er nog. Binnen de Verboden Kringen waren er zelfs al woningen gesloopt. Bij thuiskomst keek hij eerst in zijn militaire zakboekje en verwachtte te moeten afreizen naar Wormerveer. Tot zijn verbazing en tevredenheid bleek de kazerne Oranje zijn bestemming te zijn. Binnen de vesting was alles in rep en roer. De doortocht van de stoomtram was verboden. De stadspoorten werden bewaakt. Niemand mocht zonder pasje naar binnen en de militairen mochten de poort niet uit. ’s Avonds was het kolossaal druk, want de militairen kregen bezoek van familieleden en bekenden. Op Zondagen was het extra druk.
Na een paar weken kwam daarin verandering, want de toestand werd voor veel dienstplichtigen onhoudbaar. Voorlopig mocht elke dag een zevende met verlof en mochten de militairen tot 9 uur ’s avonds de vesting verlaten. Dat avondverlof werd later verlengd tot 10 uur. De dienst bestond hoofdzakelijk in het in en uit stelling brengen van kanonnen op de wallen. Deze oefening bleek overbodig, het zware geschut werd buiten de Amsterdamse Poort in veldversterkingen geplaatst. Begin oktober werd Willem gedetacheerd op het fort ‘Werk IV’ te Bussum. Van daaruit werd tegenover het restaurant ’De Gooische Boer’ fortje ‘Werk V’ in
gereedheid gebracht.
Na een maand kwam er in de vesting voor Willem een baantje vrij als telefonist. Voor hem was dat de eerste tijd een heerlijk leventje. Vooral de cursus telefoneren, seinen en het bouwen van hoge waarnemingsposten. De marsen vond Willem eigenlijk wandelingetjes en er werd ook gevoetbald. Hij hoorde bij het Stafkwartier dat gelegerd was in het Groot Arsenaal. Jammer genoeg duurde dit mooie leventje maar kort. Het geschut werd buiten de vesting geplaatst en dus was er daar weer werk aan de winkel. Ondertussen was het winter geworden, geen koude maar een natte. In december verhuisde het Stafkwartier naar de Weeshuiskazerne. Onze Naarder verbaasde zich erover dat in deze infanteriekazerne nu ook artillerie gelegerd werd. Gelukkig voor hem werd de oudere garde afgelost door de Landstorm, die bestond uit vrijgelote dienstplichtigen van vroegere lichtingen. De naam Landstorm ging 13 november 1918 over op de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, die ontstond ten gevolge van een oproep van het ARP Tweede Kamerlid Duymaer van Twist. De oproep werd gedaan aan gezagsgetrouwe dienstplichtigen die met Groot Verlof waren. Het doel was op te treden tegen de staatsgreeppoging van Troelstra. Mijn vader werd lid van de lokale afdeling tot zijn 44e jaar. Tot zijn opluchting kon hij tijdens de Rijnland-bezetting in 1936 zijn uniformstukken terugsturen. De Naardense ’Home Guard’ bleef bestaan tot 1940.
Verzuilde gemeenschap
In Naarden konden de dienstplichtigen terecht bij gelijkgezinden. Geen enkele bevolkingsgroep had de overhand. Er waren drie protestante kerken van verschillende richtingen, een katholieke kerk en zelfs (tot 1936) een synagoge. Het aantal onkerkelijken was tijdens de economische crisis nog gering.
De laatste gemeenteraadverkiezing, voor de opheffing van Naarden als militair bolwerk, was in 1923. Er was opkomstplicht en het vrouwenkiesrecht was al ingevoerd. Het aantal uitgebrachte geldige stemmen was 1937. De verdeling was: Rooms Katholieken 503, Anti -Revolutionairen 333, Vrijzinnig Democraten 700, Christelijk Historisch 289, Neutrale Partij 109. Lijsttrekker van de laatste partij was de huisjesmelker De Kloet. Anders dan in Bussum, waren er in Naarden geen kandidaten van de S.D.A.P.
Hoe groot de verzuiling was binnen de beroepsmilitairen van het garnizoen, is niet na te gaan. Anders dan bij de marine, zullen er bij de landmacht weinig ‘beroeps’ socialist geweest zijn. Voor de ontspanning van Jan Soldaat was de kantine op het Promersplein, thans VVV gebouw. Verder was er een Protestant Militair tehuis naast het Burger Weeshuis en een RK Militair tehuis in een gedeelte van het parochiegebouw Concordia. Indien de ouders een kleine bijdrage hadden gestort, dan werd hun zoon door de plaatselijke geestelijken in de gaten gehouden. Welke lagere scholen werden bezocht door de kinderen, uit de gezinnen van de beroeps, is niet duidelijk. In ieder geval bezochten sommige van deze kinderen de nieuw gestichte Comenius school en niet de Openbare Vestingschool, die op loopafstand lag. Beroepsmilitairen waren opvallende verschijningen binnen ons vestingstadje. In het vooroorlogse leger droegen zij, vooral in hun vrije tijd, een buitenmodel-uniform. De stof, kleur en kepie weken sterk af van het tenue van de gewone Jan Soldaat. De Adjudant Onderofficier van de Infanterie, Van Spanje’ ging zondags in zijn buitenmodel-uniform naar de katholieke kerk. Op zijn zij droeg hij een grote sabel, die bij zijn uitrusting hoorde. Als hij echter ter communie ging (richting altaar), dan gespte hij zijn sabel af . Daarna legde hij die op de bank, hetgeen steeds gepaard ging met hevig gekletter.
Mobilisatie 1939 - Evacuatie 1940
Hoewel de Vesting als militair bolwerk was opgeheven, begon het leger deze toch in staat van verdediging te brengen. De buitendijkse buitengrachten waren in de loop der eeuwen dichtgeslibd. Aan de oostzijde werd de buitengracht uitgebaggerd om als tankval te dienen. De doorgang tussen deze gracht en het IJsselmeer werd versperd door middel van grote betonnen cilinders met ingegoten spoorstaven. Ook op de Oostdijk kwam een dergelijke ‘asperges-versperring’. Het heeft niet mogen baten, alleen de veehouders hadden, op weg naar hun melkplek, last van de obstakels Net als in 1914 begon men in de wallen van de Bedekte Wegen loopgraven aan te leggen. Er kwamen ook overdekte commandoposten en mitrailleursnesten. Dit verontrustte de bevolking niet, want dit was ook tijdens de Eerste Wereldoorlog gebeurd. Inmiddels was de toestand wel veranderd, de Verboden Kringen waren opgeheven. Er brak lichte paniek uit in de Naardense buitenwijken. Een overijverige kapitein van het garnizoen ging rond in het inmiddels volgebouwde schootsveld. Hij werd begeleid door twee soldaten, die gewapend waren met verfkwasten en grote potten witte verf. De kapitein gaf opdracht bepaalde panden te voorzien van een wit kruis. Zelfs het in aanbouw zijnde Diaconessenziekenhuis werd voorzien van zo’n merk. De gemerkte objecten zouden worden opgeblazen, indien de Duitse Wehrmacht door de Grebbelinie zou breken. De verfactie bleef uiteraard niet onopgemerkt en de kapitein werd door de legerleiding teruggefloten.
Toch werd het ernst op 14 mei 1940. De garnizoenscommandant besloot om de vesting in staat van verdediging te brengen, maar eerst moesten alle burgers het stadje uit. De Bussumsche Courant besteedde aandacht aan dit gebeuren: ‘Het was Dinsdagmiddag (14 mei) een hele consternatie, toen de Vestingbewoners plotseling geëvacueerd moesten worden, en met pak en zak vertrekken om in de buitenwijken van Naarden onderkomen te zoeken. Tusschen vier en zes uur trok een tragische stoet over de Beatrixbrug, sjouwende menschen, kinderen, bepakte fietsen, enkele wagens en auto's, maar in de buitenwijken stonden de huizen gastvrij open en iedereen vond een plaats. Verlaten van burgers, doch geheel bezet met Nederlandsche militairen, bleef het oude Naarden achter, men vreesde voor het lot van de Vesting. Doch slechts enkele uren na het evacuatiebevel kwam het bericht, dat Nederland de wapens had neergelegd, en een zucht van verlichting ontsnapte vele Vestingbewoners, die alle hoop mochten koesteren, have en goed weer ongeschonden terug te zien.’ In een volgend artikel stond in de krant: “Is Naarden nu vesting of is zij het niet”. Inmiddels waren de eerste Duitse bezetters de vesting binnengedrongen.
__________________________________
Foto's van boven naar onder:
-- Jeugdige houtbewerkers knutselen onder leiding van onderofficier in zijn huiskamer.
-- Militair zwembad te Naarden - aangelegd einde 19e eeuw. Ook burgers mochten er gebruik van maken. De badhokjes lagen op het ravelijn buiten de Utrechtse poort.
-- Naardense leden van de Volksweerbaarheid - 1913/1914. Deze landelijke organisatie was opgericht in 1899. Namen van de jonge dames zijn bekend.
-- Arentsen, onderwijzer Openbare Lagere School. (1886-1921) Hij wilde een zang- en toneelvereniging oprichten voor dienstplichtige militairen. De garnizoenscommandant en de burgemeester, verdachten hem van ondermijnende (socialistische) activiteiten.
-- Watersnood 1916 in de Vesting. De Kloosterstraat door de Zuiderzee overstroomd.
De militairen hadden vergeten de slotbalken te plaatsen onder de Zeebrug, de open verbinding met het buitendijks gebied.
-- Voor overige foto's, zie: http://naarder-garnizoen-fotos.blogspot.com/
___________________________
Bronnen en literatuur
C.A. de Bruijn en W.H. Schukking, Naarden 1350-1950 . Leiden, 1950.
J.H. Maas en A. Maas, De geschiedenis van Naarden. Naarden, 1950.
M.W.J.L Boersen De Kolonie van de internationale Broederschap te Blaricum. Blaricum, 1987
David Kips De Weeshuiskazerne van Naarden (1809-1986). Naarden, 1994.
F.J.J. de Gooijer Gegoede Landgenoten, slechte Lotgenoten. Blaricum
De Gooi en Eemlander. 1880-1940. ( http:// gooise-couranten.blogspot.com )
Bussumsche Courant 1929 - 1940. (http:// gooise-couranten.blogspot.com
De Omroeper. 1988, 1991,1994, 1999, 2001 ( http:// stichtingvijverberg.nl)
Mondelinge overlevering: Mevr. K. de Gooijer-Krijnen (1865-1956 ), H.W. de Gooijer (1892-1980).
_______________________
Afbeeldingen:
Fort Werk IV
Oud Molen Kazerne
Promerskazerne
Weeshuiskazerne
__________________________
Tussen Vecht en Eem 23e jrg. sept. 2005
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
___________________________________
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
____________________________________________________


Het alledaagse leven binnen Naarden 1860-1940
Over het alledaagse samenleven tussen militairen en burgers in Naarden is nog nooit geschreven.Geert Mak zou over dit onderwerp een heel boek kunnen schrijven.In dit artikel geef ik een beperkte kijk op deze kleine samenleving.De inhoud berust alleen op een aantal feitelijkheden,overleveringen uit een betrekkelijk kleine groep en persoonlijke indrukken.Het feitenmateriaal komt vooral uit de lokale pers. Deze kranten hebben regelmatig aandacht besteed aan het wel en wee van de militairen. Zelfs de bevordering of overplaatsing van iedere beroepsmilitair kreeg aandacht.
Voor dit stukje heb ik gekozen voor de periode mei 1860 tot en met mei 1940. Mijn familie vestigde zich in de vesting omstreeks de eerste datum en moest de vesting als vluchteling verlaten op 14 mei 1940.
Depôt van discipline
Tot midden negentiende eeuw was er in Naarden alleen de Weeshuiskazerne. Het aantal militairen was in die periode gering. Mei 1861 werd hier het Depot van Discipline gevestigd. Deze strafinrichting voor militairen werd streng bewaakt. De gestraften hadden geen kontact met de burgerbevolking. In het boek ‘De Weeshuiskazerne van Naarden’ staat: ’Over het leven van de gestrafte soldaten weten we vrijwel niets‘. Zij hadden corveedienst in de kazerne en verrichtten schanswerk aan de vesting. Voor de rest zwijgen de bronnen. Wel doen er nog steeds verhalen de ronde over strenge tucht. Over ranselen op een van de bolwerken. Generaal-Majoor A.N.J. Fabius (1855-1921) schreef in het begin van de 20e eeuw, dat elke gestrafte na aankomst 25 of 59 rietslagen kreeg toegediend. De vader van A.N.J. Fabius was burgemeester van 1863-1887, in de zelfde periode dat het Depô t van Discipline bestond. In zijn jeugd moet Fabius junior weet gehad hebben van de afstraffingen. Naarders hebben dit van ouder op ouder mondeling overgeleverd.
Er is het bekende verhaal over ‘de beul’ die in het laatste kwart van de negentiende eeuw bij de 'Dikke boom' woonde. Genoemde beul was een onderofficier van het garnizoen Naarden. Deze beroeps militair had onder andere de taak om 'zich misdragende gestraften' eens in de week te straffen. De straf werd uitgevoerd op bastion Oud Molen buiten het zicht van de burgerij. De gestraften kregen met de karwats een aantal slagen. De afstraffing vond, volgens overlevering, op zaterdag plaats. Sommige Naarders verzamelden zich op de Oude Haven om de kreten van pijn te horen. De afranseling zou 'in de Lage Flank' hebben plaats gevonden. Bij de beul zou het gaan om de Adjudant Onderofficier Frederik Sander Jansen, Ridder in de Militaire Willemsorde. Hij was geboren in 1830 en woonde ca.1862 op de hoek van de Raadhuisstraat/Wuyvert.Later verhuisde hij naar de Kloosterstraat en werd ‘wachter bij de militaire gebouwen‘.
De militaire stafinrichting zou Naarden in 1881 verlaten hebben. In de Gooi en Eemlander van 1894 stond evenwel het volgende bericht: ‘Naarden, 23 juni. De milicien K. heeft zich door zijn aanhoudend uitstekend gedrag in ’t Depot van Discipline zoodanig onderscheiden dat hem vergund is weder naar zijn regiment terug te keeren‘.
De Vesting versterkt en getest
Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 groeide ook in Nederland de angst voor het oosterbuurland. In verband hiermee kwam een nieuwe Vestingwet tot stand. De Vesting Naarden werd ingrijpend versterkt. Er kwamen ‘bomvrije’ kazernes, zoals de Promers, Oranje en Oud Molen. De laatst genoemde kazerne kreeg een telegraaf en zelfs een telefoonverbinding. Telefoon was toen een noviteit, want het eerste Amsterdamse telefoonnet was in 1881 tot stand gekomen. Een deel van de ’bouwwerkzaamheden’ werd uitgevoerd door lokale aannemers, waaronder een lid van de bekende Naardense familie Vrakking. Naast de bouwvakkers waren er ook veel polderjongens nodig. Met mankracht, schop en kruiwagen werd gezwoegd om de wallen te verhogen. Menige Naarder stak een handje uit de mouwen, zoals de boerenzoon Jan de Gooijer (mijn opa). Hij was echter te licht gebouwd voor dit zware werk. Bij een kleermaker liet hij een leren korset maken om zijn rug te sparen. Op Oud Molen stond de boerderij van zijn oudste broer. Die moest plaatsmaken voor het ’bomvrije’ slagerijgebouw. De plaatselijke middenstand deed goede zaken, voor de kroegen was dit een gouden tijd.
Oefenmanoeuvres
Nadat de renovatie van de Vesting was voltooid, werd de militaire sterkte getest. Daartoe werd er een groot opgezette militaire oefening gehouden. De manoeuvres begonnen op dinsdag 1 september 1885 en duurden met een onderbreking op zondag tot en met donderdag 10 september. Dinsdagmiddag om drie uur reden twee 'vijandige' militairen te paard door de linies van de verdedigers.Eén ruiter was een parlementair met een witte vlag, de ander was een trompetter. Ze reden naar de Vesting en eisten de overgave, die geweigerd werd door de vestingcommandant. De eerste dag richtten de aanvallen zich op de voorwerken, de dag daarna op de Vesting. Natuurlijk trokken deze manoeuvres heel wat toeschouwers. Niet alleen Naarders vergaapten zich, ook van elders kwam men kijken.
Zelfs de toren werd door nieuwsgierigen beklommen. Vaak ging men onvoldaan
naar huis, omdat men niet altijd wist waar 'slag geleverd werd'.
Vanaf woensdagmorgen 2 september schoot men vanaf de vestingwallen.Ondanks het schieten met los kruit waren de schoten zo hard, dat geadviseerd werd de ramen open te zetten. Ook de burgers kregen geen rust, dag en nacht klonk het gedonder. Natuurlijk hadden de soldaten het moeilijker. Het eten was vaak slecht, al waren de rantsoenen wel verhoogd. Op rustige nachten stond een kwart van de verdedigers op wacht en een kwart lag gekleed op het stro. De andere helft mocht in onderkleding op het losse stro slapen. De aanvallers waren nog slechter af, zij bivakkeerden in de open lucht en deden schijnaanvallen. Bovendien moesten zij schansen opwerpen en loopgraven aanleggen. Dit zware werk gebeurde tijdens slagregens. Zieken waren er gelukkig niet veel. De hospitaalsoldaten waren echter wel druk in de weer met het oefenen in het leggen van verband en het wegdragen van de namaak 'gewonden'.
Ondertussen werd er elke avond druk geëxperimenteerd met het elektrische
'verlichtingstoestel'. Een voorloper van de schijnwerper. Vele nieuwsgierige
burgers kwamen naar dit wonder van de techniek kijken. Voor praktisch iedereen
was dit het eerste contact met elektrisch licht. Bussum had tot in de het
begin van de twintigste eeuw gasverlichting en Naarden kreeg als eerste
Gooise gemeente electrische verlichting in 1899.
Na afloop van de manoeuvres was er een grote parade met muziek. Deze vond plaats op het gedeelte van de Bussummerheide waar anders wedrennen werden gehouden. Dank zij het mooie weer trok dit 'grootsche' schouwspel veel bekijks. De 'oorlogscorrespondent' eindigde zijn verslag met:’Ieder keerde voldaan huiswaarts, de talrijke toeschouwers te voet en in rijtuigen even goed als de militairen, die blijde waren naar huis terug te mogen keeren, te eer daar het weder in de laatste dagen hoogst ongunstig werd‘.
Er volgden regelmatig nieuwe oefeningen. Zaterdag 8 september 1894 stond er een aankondiging in de Gooi en Eemlander over een militaire manoeuvre. Een gedeelte van de vestingwallen was tijdelijk toegankelijk voor het publiek tijdens de oefeningen van de 'vestingoorlog'. Uit verschillende krantenberichten bleek, dat dergelijke oefeningen als een soort volksvermaak golden. Sommige inwoners protesteerden in de krant, omdat ze de oefeningen niet konden zien. Overigens deed zich daarbij wel eens een ongeluk voor bij de militairen, mogelijk wilde men daarom het publiek op een veilige afstand houden. Het gevaar was niet denkbeeldig, zoals bleek in juli 1897. Bij het laten springen van een watermijn spoot het water uit de vestinggracht 30 meter hoog. Een mineur raakte daarbij gewond. Mooier dan het jaarlijkse vuurwerk waren de kolossale zoeklichten die op een ravelijnen waren geplaatst. De vestingbewoners mochten, wederom tot hun spijt, niet vanaf de wallen toekijken.
Huisvesting van de militairen
Legering in de kazernes
In de kazernes verbleven de vrijgezelle beroepsonderofficieren en honderden dienstplichtigen. Tot het einde van de negentiende eeuw kwamen de soldaten uit kringen van minvermogenden. Wie kon betalen ging niet in dienst, maar kocht een remplaçant. De Weeshuiskazerne diende voor legering van de infanterie. De bomvrije kazernes werden bevolkt door de vestingartillerie, een legeronderdeel dat na 1918 werd opgeheven. De ruimten daar waren zeer ongezond en het drinkwater deugde niet , wat het kwam uit loden buizen. ‘s Winters was het onder de wallen een ‘kouwe bedoening’. Pas na het einde van de middagdienst, omstreeks half vijf, stak de kamerwacht de kachels aan. Er werd zuinig gestookt, per dag slechts een aanmaakturf en een kit cokes. Om een uur of twaalf was de kachel uit. Men werd wakker door het voortdurend druppelen van regenwater, dat via een buizenstelsel naar de waterkelder liep. De ventilatie per slaapzaal voor 20 personen was slecht. Bij het ontwaken dreven de muren van de condens, dat pas twee uur later was opgedroogd. Het duurde tot na 1945 voordat de vochtige verblijven werden afgekeurd voor legering.
Onderofficierswoningen
In het laatste kwart van de negentiende eeuw waren de vestingwerken gemoderniseerd.Tevens waren er ter plaatse van bastions een aantal bomvrije kazernes gebouwd, zoals Oud Molen, Promers en Oranje. Het aantal aldaar gelegerde dienstplichtige militairen was fors toegenomen. Het beroepskader werd ook uitgebreid. Binnen de vesting waren er onvoldoende kwalitatief goede huizen om deze beroepsmilitairen en hun gezinnen te huisvesten. De vestingbewoners hadden geen of weinig belang bij nieuwbouw. Het was zelfs lonend om een krot af te breken en vervolgens de braakliggende grond te gebruiken als groentetuin. Het Ministerie van Oorlog zocht voor haar personeel behoorlijke woningen. Omdat er onvoldoende aanbod was sloot het ministerie huurcontracten af . Bij nieuwbouw garandeerde men het 25 jaar lang verhuren aan beroepsmilitairen. Niet duidelijk is welke bouwheren op dit aanbod ingingen. Wel deden dit de aannemers M.P. van Wettum en Van Asperen. De eerste zogenoemde onderofficierswoningen kwamen in de Pijlstraat. De Gooi en Eemlander van 28 juni 1895 kwam met belangrijk nieuws. ‘Donderdag verschrikten velen in den omtrek der Pijlsteeg door een oorverdoovend geraas; men meende, dat weder een der bouwvallige woningen ingestort was. Bij onderzoek bleek echter, dat de aannemer W(ettum). een aldaar staand half afgebroken perceel, na het nemen van de noodige voorzorgen, in elkander had doen trekken, om ongelukken bij slooping te voorkomen. Thans zullen daarvoor in de plaats 5 nieuwe woningen gezet worden, waardoor gedeeltelijk in de behoefte aan goede woningen zal worden voldaan‘. Uiteindelijk kwamen er vier woningen te staan op de plek waar voorheen een boerderij stond.
Het aannemersbedrijf ‘Van Wettum’ bleef ook daarna bouwen voor het ministerie. Na de koop, van de boerderij Zwanenburg, bouwde dit bedrijf op een gedeelte van het erf zes woningen. Zij kwamen aan de St. Annastraat en waren gelijksoortig aan de eerste vier. Vervolgens kwamen er woningen voor beroepsmilitairen in de St. Vitusstraat. De eerste steen werd gelegd door de acht-jarige Maria van Asperen, dochter van de aannemer. Het laatst gebouwd werden de beneden- en bovenwoningen aan het einde van de Bussummerstraat. Op de adres- en beroepenlijst uit 1915 staan 38 onderofficieren.De bovengenoemde huizen waren nog steeds door deze militairen en hun gezinnen bewoond. Het aantal van 38 lijkt gering. De vrijgezelle onderofficieren woonden echter op kamers in de kazerne.
Officieren contra Naarden
De Naardense gemeenteraad stuurde regelmatig protestbrieven naar het ministerie. Tot groot verdriet van de gemeenteraad had de legerleiding toestemming gegeven aan de officieren om zich buiten hun garnizoensplaats te vestigen. Een deel van het officierkorps vestigde zich in Bussum. Naarden had wel de lasten, maar niet de alle lusten van het garnizoen. Men liep nu een bedrag aan gemeentebelasting mis, in die periode een belangrijke inkomstenbron. Volgens de adres- en beroepengids van 1915, bedroeg het aantal officieren binnen de vestingwallen 7 en in de kleine Naardense buitenwijk 5. In Bussum woonden minstens 21 officieren in actieve dienst. Zelfs onze Naardense Generaal-Majoor A.N.J. Fabius had zich, na zijn pensioen, teruggetrokken in ons buurdorp.
De officieren bemoeiden zich ook nog eens met het besluit van de gemeenteraad om in 1892 de Amsterdamse tijd te vervangen door de Greenwich Time. Net als de forensengemeente Bussum koos men voor de zogenaamde ’spoortijd’ die de Nederlandse Spoorwegmaatschappijen hadden ingevoerd. Een onbegrijpelijke houding van het garnizoen. De militaire telegraaflijn had nota bene ook de Greenwich Time aangenomen. Misschien was het leger bang bij een inval van de oosterburen zo’n 20 minuten te laat te worden gealarmeerd. Voor de dienstplichtige verlofgangers was het vertrek naar huis het belangrijkste moment, die waren wel op de hoogte van de ’spoortijd’.
Contacten tussen burgers en militairen
Beroepsmatige en innige contacten
Verschillende Naarders waren in dienst of stonden ten dienste van het garnizoen. In 1915 waren dat:
Een militaire apotheker; een hospitaalbediende; een hospitaal administrateur; een geweermaker; een Opzichter der Genie; een magazijnbediende van de Garnizoensbakkerij; een fortwachter van de Lunetten; drie militaire schoenmakers; twee militaire kleermakers en twee maal een ‘vader’ van een militair tehuis. Dan waren er nog 3 Brugwachters van de Rijksbruggen.
Bovengenoemde personen waren zogenaamde hoofdbewoners. Inwonende werkers werden niet vermeld. Daarom bleef ook een beroepsgroep ongenoemd, n.l. de keukenhelpsters, die de aardappels schilden en de groenten schoonmaakten. De bekendste onder hen was Vrouw Behm, een struise vrouw in Zeeuwse klederdracht.
Het garnizoen sloot ook contracten af met een aantal Naarders. Dat gebeurde met plaatselijke leveranciers, ondermeer de levering van melk en vlees door veehouders. De militaire betaalmeester kwam op de boerderij afrekenen en streek dan een fooi op. Er waren contracten op verschillende terreinen. Plaatselijke aannemers onderhielden de militaire gebouwen. Zelfs het leeghalen van de kazernebeerputten werd aanbesteed.
Naast een aantal honkvaste Naardense families, vond er ook veel doorstroming plaats door
de komst en het van de beroepsmilitairen en hun gezinnen. Er waren ook veel knappe Naardense meisjes en daar kwamen veel dienstplichtigen op af. Het uniform lokte nog in die tijd en zodoende trouwde een aantal Naardense schonen met jongens van ‘elders‘. Ook waren er huwelijken tussen de zonen en dochters van beroepsmilitairen en Naardense burgers en burgeressen . Over de Sluis, bij het Arsenaal, woonde Adjudant Marquenie. Twee van zijn zoons waren ook beroepsmilitair. Een derde zoon trouwde in 1914 met de oudste dochter van de Naardense veehouder Jan de Gooijer. Bij die gelegenheid werd een foto gemaakt van beide families en alle bruiloftgasten. Adjudant Marquenie was gekleed in een soort gala-uniform, terwijl zijn zoons een buitenmodel uniform droegen. Tijdens verjaardagen ontmoetten deze beroepsmilitairen hun agrarische zwagers. De militairen spraken dan over de bereden artillerie in Leiden, de zwagers letterlijk over koetjes en kalfjes.
De jaarlijkse loting voor de militaire dienstplicht zorgde voor veel drukte. Op het stadhuis vond de loting plaats voor Naarders en sommige Gooise dorpelingen. Na afloop staken de lotelingen hun lot op hun pet of hoed en doken daarna een kroeg in.
Hulpverlening bij brand
Af en toe brak er brand uit binnen de vesting. Daarbij waren enkele boerderijbranden, die een gevaarlijke situatie vormden voor de omliggende huizen. De vrijwillige brandweer rukte dan uit en was snel ter plaatse. Het is niet duidelijk welke blusmiddelen ter beschikking stonden van het leger. Bij dergelijke calamiteiten is nergens sprake van hulp van legerautoriteiten. Wel was er steeds spontane en vrijwillige hulp door dienstplichtige militairen. De enige beloning bestond meestal uit de vergoeding van de verbrande uniformstukken. Er zijn verschillende berichten over deze hulp. Op 19 December 1898 ontstond er in het logement De reizende Man aan het einde van de Oosteindestraat een begin van brand. Door flink optreden van enige militairen werd de brand spoedig geblust. Op 4 Juli 1904 was er een grote brand waarbij een boerderij in de Gansoordstraat en een winkel in de Raadhuisstraat volledig uitbrandden. Ook hier werd assistentie verleend door militairen. De gemeenteraad schonk aan de militairen een beloning van vijftig gulden. De garnizoenscommandant stuurde bovendien een rekening voor de vernielde uniformen en schoeisel. Op 16 oktober 1929 ging in de Beijert een foeragemagazijn in de vlammen op. De vaststaande boerderij liep daarbij zeer veel brand- en waterschade op. Ook hier boden militairen direct hulp aan. Na de brand werd de plek bezocht door de plaatselijke autoriteiten. Burgemeester M. van Wettum kwam een kijkje nemen. in gezelschap van de garnizoenscommandant Majoor Von Feytag Drabbe.
Onhygiënische toestanden
Binnen de dichtbebouwde kom van de vesting lagen twintig boerderijen. Zeer praktisch ten behoeve van de voedselvoorziening in geval van een belegering. Bij militair transport werden vaak boeren met paarden en wagens ingeschakeld. Er lagen echter soms open mesthopen langs de straat. Op 7 juni 1895 schreef de krant een uitgebreid artikel over boeren in de Vesting, o.a. over het feit dat Naarden een landbouwende gemeente was en bij strengere regels meer dan 60 a 70 vaalten moesten worden geruimd. Allereerst moest de mestvaalt van boer Van der Vuurst afgedekt worden. Deze lag open en bloot aan het kerkpaadje en was zichtbaar vanaf de ingang van de kerktoren. Regelmatig brak er een veeziekte uit, zoals mond en klauwzeer. Op 30 juni 1894 was het weer raak bij de veehouder Van Aken. De boerderij werd streng bewaakt.
Bij de burgerij was de toestand niet veel beter. Achter de meeste huizen stond op het erf een plee met lozing op een beerput. Een dergelijke put bestond uit los gestapelde stenen, de vloeibare inhoud verdween in de zandgrond en vervolgens in het grondwater. (deze toestand duurde tot 1980). Het gevolg was vervuild pompwater. Niet alleen de particuliere pompen waren besmet, ook de openbare straatpompen. Een andere watervoorziening bestond niet. De gemiddelde vestingbewoner stelde geen hoge eisen aan de woonomgeving . Hygiëne en wooncomfort waren voor de meeste een luxe.
Natuurlijk braken er vaak ziekten uit. Voor de overvolle kazernes kon dit rampzalig zijn. Van overheidswege werd dan streng opgetreden. De krant berichtte verschillende malen over uitbraak van pokken binnen de vesting. Op 4 augustus 1894 stond erin de krant: ‘De winkelwaren van Van Doesburg, den pokkenlijder alhier, thans genezen, zijn onteigend en verbrand‘. De kleding van de winkelier was al eerder in rook opgegaan.
Militairen als ordehandhavers
Het was een vreemde zaak dat, in de negentiende eeuw, de militaire autoriteiten de gemeente Naarden lieten opdraaien voor de bewaking van de vestingpoorten door burgerpoortwachters. Vanaf 1851 werd de poortbewaking geheel afgeschaft. Iedereen kon vanaf die tijd ongehinderd de meest noord-oostelijke vesting van de Waterlinie binnenwandelen. Het leger was niet opgewassen tegen een buitenlandse vijand, maar werd vooral ingezet als binnenlandse ordebewakers, zoals uit onderstaande gegevens blijkt.
Vanaf 1851 hield de Hollandsche Maatschappij van Landbouw wedstrijden in ploegen en maaien. De notabelen wilden teleurgestelde en heetgebakerde Gooise deelnemers van het lijf houden. Natuurlijk waren de dienstplichtigen uit de Weeshuiskazerne weer de klos: ’Door de bemoeiingen van den heer Burgemeester van Naarden, hebben Heeren Officieren van het garnizoen de beleefdheid gehad, de wedstrijden een detachement infanterie ter beschikking te stellen van Heeren de directie, waardoor dit feestelijk begin van de oogst is opgeluisterd en eene goede orde bewaard’.
September 1895 zijn een aantal militairen in de buurt van de Kippenbrug getuige van een opstootje. Een dronken echtpaar mishandelde een bij hen inwonend tienjarig kind. Toesnellende Naarders wilden het echtpaar te lijf gaan. Het dronken stel werd door militairen met de blanke sabel ontzet en naar hun woning in de Bussummerstraat gebracht. Het kind werd door een ’villabewoner’ opgevangen.
Bij de onderdrukking van de Hilversumse Kermisoproer van 1899 waren ook militairen uit Naarden betrokken. De veldslag met sabelhouwen en geweerschoten kostte aan een Hilversummer het leven en negen raakten gewond.In Blaricum bestond vanaf 1900 ‘De Kolonie van de Internationale Broederschap‘. Bij de grote spoorwegstaking van 1903 waren de ‘kolonisten’ solidair met de stakers. Ze wilden ook de Gooise Stoomtram stilleggen. De armelijke bevolking van Huizen en Blaricum voelde zich in haar karig bestaan bedreigd. De volkswoede richtte zich tegen de ’kolonisten’. Uiteindelijk moesten militairen uit Naarden de anti-militaristen beschermen tegen de autochtone dorpsbewoners. Daarna verzocht de Blaricumse burgemeester Hosang de militairen in te zetten tegen de Erfgooiers. De Gooise burgemeesters hadden al jaren een conflict met de lokale veehouders. Tijdens een geweldloze actie van enkele erfgooiers werd é é n van hen door een soldaat doodgeschoten. De gedode jongeman wilde alleen een opening graven in het koedijkje om koeien op de Blaricummer Meent te brengen.
Garnizoen neemt voortouw
Binnen het ingeslapen vestingstadje, met zeer veel arme bewoners, was de tijd stil blijven staan. Het garnizoen gaf rond de eeuwwisseling de stoot tot betere openbare voorzieningen. Het militaire zwembad was de eerste aanwinst. Ook burgers mochten hiervan gebruik maken. Tot 1940 konden burgers bovendien gebruik maken van het militaire douchegebouw bij de Weeshuiskazerne. Het leger onderzocht de waterkwaliteit van de stadspompen en in 1898 volgde een ongunstig rapport. Het water was niet geschikt voor menselijke consumptie en daarom leidde dit in 1904 tot de aanleg van de waterleiding. De elektriciteitsvoorziening was reeds in 1899 tot stand gekomen; vooral de verlichting in de kazernes profiteerde hiervan. Het leidingnetwerk kwam de vestingkom binnen via militaire terrein, de omwalling en grachten. Onduidelijk is of het garnizoen bijdroeg aan de aanlegkosten.
Ontspanning en sport
Op het terrein van ontspanning en sport was de bijdrage van het garnizoen belangrijk. In Naarden werd rond de eeuwwisseling door enkele officieren een afdeling opgericht van de landelijke vereniging ‘Volksweerbaarheid’. Burgers konden lid worden van de schietvereniging Huibert van Eijcken. Geschoten werd achter de Weeshuiskazerne. Een eventuele afgedwaalde kogel ging dan over de Zoute Gracht richting Zuiderzee. Om de ploeg fit te houden, werden er vooraf turnoefeningen gehouden. Vier avonden per week gebeurde dat onder leiding van de plaatselijke onderofficieren. Ook maakte men gebruik van de turntoestellen van de kazerne. Uit de schietvereniging ontstond in 1900 de Gymnastiekvereniging Keizer Otto. De eerste gymnastiekleider werd, hoe kon het anders, een beroepssergeant. Deze sergeant De Bruin organiseerde reeds in 1901 een uitvoering in het aan de Kloosterstraat gelegen. Hof van Holland. Het publiek bestond uit burgers en militairen. De uitvoering was een daverend succes en het afsluitende bal eveneens. In 1908 verkeerde Keizer Otto in nood, maar werd gered door de nieuwe leiding onder sergeant-majoor H. van Coevorden. De plaatselijke fanfare, ‘Door Oefening Beter’, werd in 1904 opgericht en tot bloei gebracht door dirigent H.A.A.A.V. Rijgersberg. Deze militair was onderkapelmeester van het 7e regiment infanterie. Ook militairen bliezen hun partijtje mee met D.O.B.
Het eerder genoemde Hof van Holland was niet alleen belangrijk voor bruiloften en partijen. In 1903 belegde onderwijzer H.A. Arentsen daar een vergadering. Zijn bedoeling was het oprichten van een zang- en toneelvereniging ten behoeve van de dienstplichtige militairen. Arentsen was begaan met het wel en wee van deze jongens, die in Naarden alleen ontspanning konden vinden in een tiental drankgelegenheden. Burgemeester Wesseling en de garnizoenscommandant verdachten de onderwijzer ervan een socialistische vereniging op te willen richten. Ze stuurden de rijksveldwachter J. Ederveen naar het Hof van Holland om eens polshoogte te nemen. Uiteindelijk kon zowel Wesseling als de militaire commandant geen vergaderingverbod opleggen. Uit dit prille begin ontstond de toneelvereniging Willem de Zwijger.
Militair terrein
Alle bastions en tussenliggende wallen waren militair terrein. Op de oude kadasterkaarten van Naarden is dat gebied weggelaten. Langs de Oost- en Westwalstraat stonden hoge hekken, die aan de bovenzijde voorzien waren van prikkeldraad. Deze binnenwallen werden in het voorjaar verpacht aan de vestingboeren. De maaiers en hooiers hadden toestemming nodig van de garnizoenscommandant. Toegang was alleen mogelijk met een speciaal pasje. Ook de buitendijkse enveloppe mocht alleen gemaaid en gehooid na toestemming van het militaire gezag. Het hooi werd aldaar op een dekschuit geladen en via de Zoute Gracht naar de Oude Haven vervoerd. Eerst moest echter bij de Weeshuiskazerne een sleutel worden opgehaald. De Zeebrug was namelijk afgesloten door een hek. Overigens was het soms slecht gesteld met de toezicht op de Zeebrug. In de winter van 1915/1916 vergat het militaire apparaat de schotbalken in de zeebrug te plaatsen. Bij de springvloed in de Zuiderzee overstroomde het zeewater niet alleen het buitendijks gebied, maar stroomde ook onbelemmerd via de Zeebrug de bebouwde kom van de vesting binnen. De burgers belegden na dit incident een protestbijeenkomst in het nabijgelegen Hof van Holland.
Op vier bastions waren kazernes. Bastion Turfpoort en Nieuw Molen waren echter geschikt als uitgelezen speelterrein voor de oudere kinderen. Het was wel verboden terrein, menigeen is achterna gezeten door de gemeentepolitie en de marechaussee. In noodgevallen mocht gebruik gemaakt worden van militair terrein. De kleermaker Nees Aartsen leed aan TBC. Er werd toestemming gegeven om in de Lage Flank van Bastion Oranje een zogenaamd TBC-lighuisje te bouwen. Dit kwam te staan op een metalen ring; het huisje kon steeds in de richting van de zon worden gedraaid.
Naarden en de mobilisatie 1914 - 1918
Nederland kondigde de mobilisatie van het leger aan. Nederlandse dienstplichtigen in binnen- en buitenland moesten zich melden. De 32 jarige Naarder Willem de Gooijer voldeed keurig aan het bevel en keerde vanuit het buitenland terug in zijn geboorteplaats. In zijn dagboek beschreef hij de toestand zoals hij aantrof in zijn dierbaar stadje op 7 augustus. Onderweg had hij de eerste gevolgen van de mobilisatie reeds gezien. Alle mooie bomen langs de Amersfoortse Straatweg waren omgehakt, alleen de ondereindjes stonden er nog. Binnen de Verboden Kringen waren er zelfs al woningen gesloopt. Bij thuiskomst keek hij eerst in zijn militaire zakboekje en verwachtte te moeten afreizen naar Wormerveer. Tot zijn verbazing en tevredenheid bleek de kazerne Oranje zijn bestemming te zijn. Binnen de vesting was alles in rep en roer. De doortocht van de stoomtram was verboden. De stadspoorten werden bewaakt. Niemand mocht zonder pasje naar binnen en de militairen mochten de poort niet uit. ’s Avonds was het kolossaal druk, want de militairen kregen bezoek van familieleden en bekenden. Op Zondagen was het extra druk.
Na een paar weken kwam daarin verandering, want de toestand werd voor veel dienstplichtigen onhoudbaar. Voorlopig mocht elke dag een zevende met verlof en mochten de militairen tot 9 uur ’s avonds de vesting verlaten. Dat avondverlof werd later verlengd tot 10 uur. De dienst bestond hoofdzakelijk in het in en uit stelling brengen van kanonnen op de wallen. Deze oefening bleek overbodig, het zware geschut werd buiten de Amsterdamse Poort in veldversterkingen geplaatst. Begin oktober werd Willem gedetacheerd op het fort ‘Werk IV’ te Bussum. Van daaruit werd tegenover het restaurant ’De Gooische Boer’ fortje ‘Werk V’ in
gereedheid gebracht.
Na een maand kwam er in de vesting voor Willem een baantje vrij als telefonist. Voor hem was dat de eerste tijd een heerlijk leventje. Vooral de cursus telefoneren, seinen en het bouwen van hoge waarnemingsposten. De marsen vond Willem eigenlijk wandelingetjes en er werd ook gevoetbald. Hij hoorde bij het Stafkwartier dat gelegerd was in het Groot Arsenaal. Jammer genoeg duurde dit mooie leventje maar kort. Het geschut werd buiten de vesting geplaatst en dus was er daar weer werk aan de winkel. Ondertussen was het winter geworden, geen koude maar een natte. In december verhuisde het Stafkwartier naar de Weeshuiskazerne. Onze Naarder verbaasde zich erover dat in deze infanteriekazerne nu ook artillerie gelegerd werd. Gelukkig voor hem werd de oudere garde afgelost door de Landstorm, die bestond uit vrijgelote dienstplichtigen van vroegere lichtingen. De naam Landstorm ging 13 november 1918 over op de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, die ontstond ten gevolge van een oproep van het ARP Tweede Kamerlid Duymaer van Twist. De oproep werd gedaan aan gezagsgetrouwe dienstplichtigen die met Groot Verlof waren. Het doel was op te treden tegen de staatsgreeppoging van Troelstra. Mijn vader werd lid van de lokale afdeling tot zijn 44e jaar. Tot zijn opluchting kon hij tijdens de Rijnland-bezetting in 1936 zijn uniformstukken terugsturen. De Naardense ’Home Guard’ bleef bestaan tot 1940.
Verzuilde gemeenschap
In Naarden konden de dienstplichtigen terecht bij gelijkgezinden. Geen enkele bevolkingsgroep had de overhand. Er waren drie protestante kerken van verschillende richtingen, een katholieke kerk en zelfs (tot 1936) een synagoge. Het aantal onkerkelijken was tijdens de economische crisis nog gering.
De laatste gemeenteraadverkiezing, voor de opheffing van Naarden als militair bolwerk, was in 1923. Er was opkomstplicht en het vrouwenkiesrecht was al ingevoerd. Het aantal uitgebrachte geldige stemmen was 1937. De verdeling was: Rooms Katholieken 503, Anti -Revolutionairen 333, Vrijzinnig Democraten 700, Christelijk Historisch 289, Neutrale Partij 109. Lijsttrekker van de laatste partij was de huisjesmelker De Kloet. Anders dan in Bussum, waren er in Naarden geen kandidaten van de S.D.A.P.
Hoe groot de verzuiling was binnen de beroepsmilitairen van het garnizoen, is niet na te gaan. Anders dan bij de marine, zullen er bij de landmacht weinig ‘beroeps’ socialist geweest zijn. Voor de ontspanning van Jan Soldaat was de kantine op het Promersplein, thans VVV gebouw. Verder was er een Protestant Militair tehuis naast het Burger Weeshuis en een RK Militair tehuis in een gedeelte van het parochiegebouw Concordia. Indien de ouders een kleine bijdrage hadden gestort, dan werd hun zoon door de plaatselijke geestelijken in de gaten gehouden. Welke lagere scholen werden bezocht door de kinderen, uit de gezinnen van de beroeps, is niet duidelijk. In ieder geval bezochten sommige van deze kinderen de nieuw gestichte Comenius school en niet de Openbare Vestingschool, die op loopafstand lag. Beroepsmilitairen waren opvallende verschijningen binnen ons vestingstadje. In het vooroorlogse leger droegen zij, vooral in hun vrije tijd, een buitenmodel-uniform. De stof, kleur en kepie weken sterk af van het tenue van de gewone Jan Soldaat. De Adjudant Onderofficier van de Infanterie, Van Spanje’ ging zondags in zijn buitenmodel-uniform naar de katholieke kerk. Op zijn zij droeg hij een grote sabel, die bij zijn uitrusting hoorde. Als hij echter ter communie ging (richting altaar), dan gespte hij zijn sabel af . Daarna legde hij die op de bank, hetgeen steeds gepaard ging met hevig gekletter.
Mobilisatie 1939 - Evacuatie 1940
Hoewel de Vesting als militair bolwerk was opgeheven, begon het leger deze toch in staat van verdediging te brengen. De buitendijkse buitengrachten waren in de loop der eeuwen dichtgeslibd. Aan de oostzijde werd de buitengracht uitgebaggerd om als tankval te dienen. De doorgang tussen deze gracht en het IJsselmeer werd versperd door middel van grote betonnen cilinders met ingegoten spoorstaven. Ook op de Oostdijk kwam een dergelijke ‘asperges-versperring’. Het heeft niet mogen baten, alleen de veehouders hadden, op weg naar hun melkplek, last van de obstakels Net als in 1914 begon men in de wallen van de Bedekte Wegen loopgraven aan te leggen. Er kwamen ook overdekte commandoposten en mitrailleursnesten. Dit verontrustte de bevolking niet, want dit was ook tijdens de Eerste Wereldoorlog gebeurd. Inmiddels was de toestand wel veranderd, de Verboden Kringen waren opgeheven. Er brak lichte paniek uit in de Naardense buitenwijken. Een overijverige kapitein van het garnizoen ging rond in het inmiddels volgebouwde schootsveld. Hij werd begeleid door twee soldaten, die gewapend waren met verfkwasten en grote potten witte verf. De kapitein gaf opdracht bepaalde panden te voorzien van een wit kruis. Zelfs het in aanbouw zijnde Diaconessenziekenhuis werd voorzien van zo’n merk. De gemerkte objecten zouden worden opgeblazen, indien de Duitse Wehrmacht door de Grebbelinie zou breken. De verfactie bleef uiteraard niet onopgemerkt en de kapitein werd door de legerleiding teruggefloten.
Toch werd het ernst op 14 mei 1940. De garnizoenscommandant besloot om de vesting in staat van verdediging te brengen, maar eerst moesten alle burgers het stadje uit. De Bussumsche Courant besteedde aandacht aan dit gebeuren: ‘Het was Dinsdagmiddag (14 mei) een hele consternatie, toen de Vestingbewoners plotseling geëvacueerd moesten worden, en met pak en zak vertrekken om in de buitenwijken van Naarden onderkomen te zoeken. Tusschen vier en zes uur trok een tragische stoet over de Beatrixbrug, sjouwende menschen, kinderen, bepakte fietsen, enkele wagens en auto's, maar in de buitenwijken stonden de huizen gastvrij open en iedereen vond een plaats. Verlaten van burgers, doch geheel bezet met Nederlandsche militairen, bleef het oude Naarden achter, men vreesde voor het lot van de Vesting. Doch slechts enkele uren na het evacuatiebevel kwam het bericht, dat Nederland de wapens had neergelegd, en een zucht van verlichting ontsnapte vele Vestingbewoners, die alle hoop mochten koesteren, have en goed weer ongeschonden terug te zien.’ In een volgend artikel stond in de krant: “Is Naarden nu vesting of is zij het niet”. Inmiddels waren de eerste Duitse bezetters de vesting binnengedrongen.
__________________________________
Foto's van boven naar onder:
-- Jeugdige houtbewerkers knutselen onder leiding van onderofficier in zijn huiskamer.
-- Militair zwembad te Naarden - aangelegd einde 19e eeuw. Ook burgers mochten er gebruik van maken. De badhokjes lagen op het ravelijn buiten de Utrechtse poort.
-- Naardense leden van de Volksweerbaarheid - 1913/1914. Deze landelijke organisatie was opgericht in 1899. Namen van de jonge dames zijn bekend.
-- Arentsen, onderwijzer Openbare Lagere School. (1886-1921) Hij wilde een zang- en toneelvereniging oprichten voor dienstplichtige militairen. De garnizoenscommandant en de burgemeester, verdachten hem van ondermijnende (socialistische) activiteiten.
-- Watersnood 1916 in de Vesting. De Kloosterstraat door de Zuiderzee overstroomd.
De militairen hadden vergeten de slotbalken te plaatsen onder de Zeebrug, de open verbinding met het buitendijks gebied.
-- Voor overige foto's, zie: http://naarder-garnizoen-fotos.blogspot.com/
___________________________
Bronnen en literatuur
C.A. de Bruijn en W.H. Schukking, Naarden 1350-1950 . Leiden, 1950.
J.H. Maas en A. Maas, De geschiedenis van Naarden. Naarden, 1950.
M.W.J.L Boersen De Kolonie van de internationale Broederschap te Blaricum. Blaricum, 1987
David Kips De Weeshuiskazerne van Naarden (1809-1986). Naarden, 1994.
F.J.J. de Gooijer Gegoede Landgenoten, slechte Lotgenoten. Blaricum
De Gooi en Eemlander. 1880-1940. ( http:// gooise-couranten.blogspot.com )
Bussumsche Courant 1929 - 1940. (http:// gooise-couranten.blogspot.com
De Omroeper. 1988, 1991,1994, 1999, 2001 ( http:// stichtingvijverberg.nl)
Mondelinge overlevering: Mevr. K. de Gooijer-Krijnen (1865-1956 ), H.W. de Gooijer (1892-1980).
_______________________
Afbeeldingen:
Fort Werk IV
Oud Molen Kazerne
Promerskazerne
Weeshuiskazerne
__________________________
Tussen Vecht en Eem 23e jrg. sept. 2005
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
___________________________________
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
____________________________________________________
Labels: Gooise geschiedenis





